zondag 1 december 2013

DE KRACHT VAN SINTERKLAAS


Het geheim van een goed Sinterklaasgedicht is volgens mij niet het rijm, maar het metrum. Zoals bij alle vormen van light verse, is het metrum het middel waarmee je de lezer op een aanstekelijke manier op sleeptouw neemt. De grootmeesters van de light verse zijn natuurlijk Drs P., Annie M.G. Schmidt en Kees Stip. Onder het pseudoniem Trijntje Fop maakte Stip de mooiste dierengedichten, met telkens een solide metrum en rijmschema:
Op een jachthond
Een jachthond in de buurt van Bonn
las altijd Goethe als hij kon.
‘Zo leert men langzaam’, sprak het beest,
‘het vlees bedwingen door de geest.
Maar als ik meemag met de meute
ben ik het allemaal vergoethe.’

Net als veel kinderliedjes loopt dit gedicht als een lekker metrumtreintje, dat je hakke-hakke, puf-puf vrolijk door de anekdote voert.  Het strakke aabb-rijmschema zorgt ervoor dat aan het eind van elke even zin je met spanning wacht op de verrassing van het rijmwoord. Vol verwachting klopt ons hart, wie de koek krijgt, wie de … gard. 

Met ‘vergoethe’ toont Kees Stip natuurlijk zijn grote klasse. Maar als dilettant/Sinterklaas-dichter mag je wat mij betreft ook af en toe een bestaand woord net iets verbouwen tot het min of meer rijmt. Het metrum is de taart, het rijmwoord de kers erop. 

Ik heb mij als oprechte dilettant door Stip laten inspireren:
Sint keek laatst in het grote boek
en mompelde een varkensvloek:
‘Wel potverpielekenspietietie!
Mijn oog valt hier op een notitie
die mij de oude bol doet suizen:
…
Sint prevelde: ‘Dat is voorwaar
een mooi en genereus gebaar.’
Hij sloot verheugd het grote boek
en ging zacht neuriënd op zoek
naar een toepasselijk cadeau
…


Voor het échte werk, hier nog een Trijntje Fop:
Op een schimmel
Een schimmel waar de Sint op zat
sprong opgewekt van plat tot plat.
‘Een vrome stad,’ zo sprak het dier,
‘er staan wel honderd kruisen hier.’
‘Mijn zoon,’ sprak toen de Sint gedragen,
‘de meeste zijn door mij geslagen.’


[Kees Stip, Het Grote Beestenfeest, De beste Trijntje Fops aller tijden, Uitgeverij Prometheus, 2009]

donderdag 21 november 2013

JIJJOUW

‘Call me old-fashioned’, zou Dame Edna zeggen, maar ik moet toch wel erg wennen aan het veelvuldige ge-jijjouw in de sociale media. Onbekenden spreken mij persoonlijk aan op een manier waardoor ik mij bijna geroepen voel verantwoording af te leggen:
‘Wil jij jouw vacature ook in de spotlight?’

‘Start jij als zzp'er?’
‘Waarom ben jij niet zichtbaar?’
‘Allemaal redenen waarom ik jouw blog niet lees’
‘Besteed jij veel tijd aan social media, maar levert het je niets op?’
Nou? Zeg op!

Deze aanspreekvorm heeft iets heel dwingends. Als je geen succes hebt, heb je dat uitsluitend aan jezelf te wijten; de aansporingen waren duidelijk genoeg. Het jijjouwen roept het beeld op van een universum met allemaal geïsoleerde jij-en. ‘IJ’ en ‘au’ zijn ook nog eens niet de warmste klanken, dus het heeft iets ijzigs, dat universum.

Niet dat ik er voor ben elkaar standaard te vousvoyeren (hoewel dat woord een prachtige fluwelen klank heeft), maar in het Nederlands heb je nog het milde persoonlijke voornaamwoord ‘je’. Dat betekent ‘jij’ als individu, maar ook ‘jij’ als ‘men’, als onderdeel van een groter geheel dus. Voor mijn gevoel echoot ‘je’ minder koud in het ijspaleis van alle jij-en.

Bovendien maak je met ‘-je’ dat mooie relativerende diminutief, waarmee de werkelijkheid op schaal wordt gebracht: liefje, poosje, akkefietje, ongelukje, hondje, zachtjes. ‘Start je als zzp’er?’ ‘Ben je zichtbaar?’ Het klinkt allemaal wat toegankelijker dan het keiharde ‘jij’. De toonloze ‘e’ aan het eind van een woord geeft een ontspannen ritme, als paardevoetjes; ‘trippel-trappel-trippel-trap’.

‘Jij’ verstoort die rustige telgang, het is een aansporing: doe iets, kom in actie, wees onderscheidend! Dat is goed in het zakelijke verkeer, maar in het intermenselijke verkeer mag het best een onsje minder zijn.

maandag 11 november 2013

DRIEWERF DROEF TE MOEDE

Als je al niet melancholiek was geworden door het weer eerder deze maand, dan brengt het gedicht ‘November’ van J.C. Bloem je wel in die stemming.

‘Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.’

Door dit gedicht wordt het mij onherroepelijk droef te moede. De beelden in de eerste drie strofen zijn al heel sterk, maar dan komt Bloem aan het eind met de drieslag ‘Altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart’, gevolgd door de nekslag van een vierde ‘altijd’.

Een drieslag is een veelgebruikt stijlmiddel in de retoriek en de poëzie. Vaak gaat er van een drieslag een geruststellende werking uit. Ik vermoed omdat hij zo compleet klinkt.
Vlug, veilig en voordelig.
Te land, ter zee en in de lucht.
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Links, rechts en in het midden. Of midden boven: de driehoek, een open vorm.

Het is het mooist als in de drieslag de langste term voor het laatst bewaard wordt;  zo heeft hij een ritmische opbouw. Toch staat voor mijn gevoel die derde term vaak tussen de andere twee in, de eerste twee flankeren hem. Hoe dat theologisch zit met de Heilige Geest; daar durf ik mij niet over uit te laten.

Wat het gedicht ‘November’ zo onontkoombaar droefgeestig maakt, is het vierde ‘altijd’. Nu ontstaat er opeens een vierkant, een afgesloten geheel. Na het laatste ‘altijd’ klinken zelfs geen woorden meer, zozeer is het hart verstikt door de grauwheid van november. Prachtige melancholie van Bloem, die ook domweg gelukkig kon zijn, in de Dapperstraat.



donderdag 31 oktober 2013

LEEST!

Nu de wintertijd is begonnen, kom ik aan ‘De zomer van de neusbloedingen’ toe. Dit boek van de Vlaamse taalvirtuoos Pjeroo Roobjee is inderdaad een dreun op je literaire neus en een feest om te lezen. Roobjee's taal is overdonderend, rijk, geestig en buitengewoon beeldend. Hij benut de taal tot in de verste uithoeken en beschrijft in bloemrijke zinnen de vrij treurige lotgevallen van gewone, zelfs tamelijk platvloerse stervelingen.

Hoofdpersoon is de puber Thilo Nicaese, die in een benauwende nieuwbouwwijk woont te midden van bronstige volwassenen. Vier stellen, waaronder Thilo’s ouders, zijn voortdurend bezig met overspel (al was het maar in hun fantasie) met een buurman of buurvrouw. Thilo zelf hunkert naar het buurmeisje, maar zijn fletse versiertrucs hebben geen succes. Hij heeft wel spontane bloedneuzen.

Het boek is een taalorgie, met bedwelmende zinnen en een onuitputtelijke reeks neologismen. Vooral de dialogen - die eigenlijk voornamelijk monologen zijn - zijn schitterende taalbouwsels. De manier waarop de personages spreken wordt door Roobjee beschreven in de meest schilderachtige termen: ‘fezelde’, ‘keelde’, ‘lisptongde’, ‘raffelde’, ‘krijzeltandde’, ‘zurkelde’, ‘wrenste’, ‘tatelde’ en ‘schreemde’, om er maar een paar te noemen. ‘Lopen’ is ‘voeteren’ (eventueel ‘in traagzame tred’), buurvrouwen spreken elkaar aan met ‘Loeleke’. Een ‘duts’ is een stakker, een ‘pennoen’ een vaandel en ‘binst’ betekent terwijl. De kroeg, waar veel geniale dronkemanspraat is te horen, heet ‘Café In De Glazen Boterham (bij Patje en Tina)’.

Thilo Nicaese is aangesloten bij een uiterst dubieuze beweging, genaamd de Jong-Vlaamsche Hernieuwers. Als hij het huis van de leider bezoekt, is diens echtgenote juist de stoep aan het schrobben. Roobjee componeert de volgende zin (één zin):
‘Zij deed zulks met de hulp van een volkseigen borstel uit het rechtgeaard trouwe Izegem, waar men nog, pal staand gelijk een rots in de branding van Gibraltar, hoezee!, varkensharen van eigen bloed en bodem liefhad en in de logistiek van eigen-kweek-eerst tot de fabricatie kwam van kuisgerief dat in zijn eenvoud en simpele complexiteit aan alle eisen, Harop en Were di!, van de eigen aard voldeed en rijzend als een pennoen aan de volksverbonden mast, verwoed vechtend voor het behoud van onze volksverbonden zeden en aan onze leuzen vastklampend, een reine scheet zal laten waaien in de richting van de gesneden Waalse hanen en hunne handlangers (leest: medebandieten in het parlement van Brussel en van Straatsburg), die de hou ende trouw aan het Kerlingaland smadelijk honen door het Izegemse zwijn dood te zwijgen en de Chungking Bristle uit het perfide rijk der rode mandarijnen, o rozenstruik Maria godverdeme toch!, zegt nu vooral niet dat zingen beter dan spreken is!, te saam met de Naamse dweil, évidemment bien sûr, te verheffen tot het enigst schuurgerief waarmede binnen de eurozone met goed fatsoen een vloer kan opgekuist worden.’

Hierbij verbleekt elke vorm van eloquentie. Ik heb zoiets van: “Leest!”


[Pjeroo Roobjee, De zomer van de neusbloedingen, uitgeverij Querido, 310 pagina’s, 19,95 euro.]

maandag 21 oktober 2013

SIMSALABIM

Vorige week werd mijn oog getroffen door een artikel op Kennislink met de titel ‘Taal op Facebook voorspelt persoonlijkheid’. Die titel bevat minstens vijf woorden waar ik een blog aan zou willen wijden. Vooral ‘voorspelt’ geeft me een onverdraaglijke blog-itch. ‘Taal voorspelt persoonlijkheid’? Wist je nog niet wie je was dan? Taal is een uiting van je persoonlijkheid. En op facebook a fortiori: van je gewenste persoonlijkheid.

Het voorspellen blijkt vooral een gezelschapsspelletje te zijn van een groep gedragswetenschappers van de Universiteit van Pennsylvania. Zij gaan uit van een indeling in vijf persoonlijkheidsgroepen (the Big 5), die je dwars door gender and age kunt aantreffen: Extraversion, Agreeableness, Conscientiousness, Neuroticism, and Openness to Experience, vertaald als extraversie, mildheid, ordelijkheid, emotionele stabiliteit en intellectuele autonomie. Woody Allen zou er een juweel van een film mee kunnen maken.

De onderzoekers zijn erg onder de indruk van hun onorthodoxe aanpak. In plaats van proefpersonen in te delen aan de hand van vooraf gedifferentieerde woordenlijsten, waarmee tot nog toe werd bepaald  tot welk type ze behoren, hebben de onderzoekers het facebook-proza van de proefpersonen onderzocht (nadat die personen eerst een persoonlijkheidsvragenlijst hadden ingevuld, die hen in een van de Big 5-rubrieken schaarde). De open language-benadering met sociale media-taal maakte de onderzoekers zo eufoor dat ze zich waagden aan het voorspellen van de persoonlijkheid.

En wat blijkt: Bij een extraverte persoonlijkheid horen vooral woorden als ‘feest’ en ‘geweldige avond’, terwijl in het taalgebruik van een introverte persoonlijkheid meer verwijzingen zijn te vinden naar Japanse media en emoticons. In Pennsylvania dan, zou ik denken voor die introverten. In Japan ligt het waarschijnlijk heel anders.

Om het geheel te illustreren hebben de onderzoekers woordwolken gemaakt die het taalgebruik van een bepaald persoonlijkheidstype in beeld brengen. Hoe groter de letter, hoe sterker de correlatie. Hoe roder de letter, hoe hoger de frequentie waarin het woord werd gebruikt. In de extraverte wolk springen ‘cant wait’ (blauwpaars) en ‘party’ (donkerrood) er uit. De introverte wolk cirkelt rond het grijsblauwe ‘anime’ en het donkerrode ‘internet’.

In de kristallen bol van facebook valt dus nu af te lezen welk type je bent. Zeg je vaak ‘pokemon’,  ‘blijkbaar’ en ‘zucht’ je vaak, dan ben je … Simsalabim: introvert!

vrijdag 11 oktober 2013

RUBATO

Aan de kop van de Dappermarkt – tegenover het J. C. Bloem-monument, de dichter van ‘Domweg gelukkig, in de Dapperstraat’ - is onlangs een nieuw Italiaans eethuisje geopend: DAPPERtutto. Om te beginnen vind ik deze naam een geniale vondst. Hij draagt de suggestie in zich van de veelkleurigheid van de Dappermarkt. Dappertutto  is zo’n mooi samengesteld Italiaans woord en betekent ‘allerwegen’, ‘van overal (komend)’: da per tutto.

Maar vooral vind ik dappertutto een heerlijk woord als je het uitspreekt met onvervalst Italiaans rubato. Rubato of tempo rubato (Italiaans voor ‘geroofde tijd’) is eigenlijk een muziekterm. Het betekent dat je binnen de basisbeat van de muziek vrij kunt spelen qua tempo. Je kunt dus iets ‘stelen’ van de maat door net voor of na de tel de volgende toon in te zetten. Chopin stopte heel veel rubato in zijn werk. Een ander voorbeeld van zuiver rubato is de fagotsolo aan het begin van de Sacre du Printemps van Stravinsky.

Mijn taalgevoel zegt me dat Italianen in de spreektaal ook veel rubato toepassen. Klanken gaan vaak over de strakke indeling van de lettergrepen heen, of worden met meer tegelijk in één lettergreep geprikt. De taal kolkt en golft door je mond en komt in ronde operaklanken naar buiten. Dapper-tútto, Gí-ro d’Itá-lia ( = Ronde van Italië), Sba-gliáto ( = fout), Pinóc-chio, e pericolóso sporgér-si ( = het is gevaarlijk naar buiten te leunen, in het Duits: Nicht hinauslehnen).

Het is geen wonder dat de opera in Italië is uitgevonden. De klanken worden in hun volle breedte geproefd en gereproduceerd. Het Italiaans heeft ook van die grappige samengevoegde klanken. Bijvoorbeeld de ‘nj’ in gnocchi of carógna! ( = kreng!).  Of de ‘lj’ in tagliatélle (in een Nederlandse reclame hardnekkig uitgesproken als ‘takliejatelle’). Sfortuná-to ( = ongeluk), ook zo’n mooie en effectieve samenstelling.

Wikipedia waarschuwt dat de toepassing van rubato soms sentimenteel of overdreven kan overkomen. Dat klopt. Maar ach, daar staat zoveel humor en muzikaliteit tegenover. Italianen zijn dol op hun taal en laten hem graag aan elkaar horen. Het is het enige land dat ik ken waar je de telefoon opneemt met  pronto ­= ‘ ik ben er klaar voor’.

Tijdens een vakantie in Rome, sloffend door de warme stad van het ene sacrale architectonische hoogtepunt naar het andere, stuitte ik op een groot geveldoek. Teatro Il Sistina programmeerde, met een vette knipoog en voluptueuze borsten en billen, de musical A QUALCUNO PIACE CALDO. Some like it hot op z’n Italiaans.
Ongebreidelde Italiaanse levenslust da capo al fine.

dinsdag 1 oktober 2013

ZEGGE EN SCHRIJVE

Regelmatig gaat Jaap de Berg, oud-hoofdredacteur van Trouw, in zijn rubriek ‘taal’ in op vragen van lezers. Vaak klinkt in die vragen een lichte ongerustheid door over de teloorgang van het goede Nederlands, maar De Berg weet die ongerustheid altijd superieur weg te nemen.

In de rubriek van 27 september ging het om de vraag of het woord ‘sceptisch’ als /septies/ of als /skepties/ diende te worden uitgesproken. De Berg reikte een regel aan, die zo uit het Padvindersschrijfboek had kunnen komen: ‘Generaliserend gezegd: we zeggen niet wat we schrijven, maar we schrijven wat we zeggen.’

Die zin bleef me achtervolgen. In zijn dwingende eenvoud doet hij denken aan een reclameslogan of de pay-off van een politieke stroming (‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’). Dat het leven vaak oneindig veel ingewikkelder is - want wat betekenen woorden eigenlijk - is voor mij het mooist geïllustreerd in een gouden scène uit de Franse documentairefilm Être et avoir.

Deze bekroonde film uit 2002 gaat over een leraar op een plattelandsschooltje in de Auvergne. Zijn school bestaat uit één klas, waar alle dorpskinderen  - in leeftijd variërend van vier tot veertien jaar - door de meester met veel toewijding onderwezen worden. In de bewuste scène krijgt de kleutergroep schrijfles. De meester heeft een aantal woorden uitgeknipt en de kinderen moeten daar een lopende zin van maken. Vooraf heeft de meester uitgelegd dat het woord ‘ami ’ voor een garçon is en ‘amie ’ voor een fille.

Een aantal kinderen maakt, al of niet in een keer, zinnen als Létitia et son ami Jojo. ‘On peut le dire? ’ vraagt de meester na elke stamelend voorgelezen zin aan de rest van de kleutergroep en meestal is het antwoord bevestigend. Dan is de beurt aan Johan. Met veel aarzeling “leest” hij wat er voor hem op tafel ligt: ‘Johan et son copain papa.’ Copain? Dat woord was niet uitgedeeld. Na stevig aandringen van de meester met ondersteuning van de kleuters, leest Johan bij de derde poging ami. Maar zijn gezicht verraadt dat hij zeker weet dat papa een copain (= maatje) is en geen ami.  

Om de les goed te laten indalen vraagt de meester aan Johan wat het had moeten zijn als het woord ‘maman ’ op tafel had gelegen. De spanning in de groep is te snijden als Johan zwijgend, met neergeslagen ogen zoekt naar een uitweg uit deze netelige situatie, maar dan – daar zit hij, hij kan niet anders – komt het hoge woord eruit: ‘sa copine ’. Dappere Johan, hij weet wat hij zegt, maar de dictatuur van het schrift legt hem beperkingen op.

Hoewel Être et avoir natuurlijk een prachtige titel is, heet deze film wat mij betreft Ami et copain.