maandag 11 november 2013

DRIEWERF DROEF TE MOEDE

Als je al niet melancholiek was geworden door het weer eerder deze maand, dan brengt het gedicht ‘November’ van J.C. Bloem je wel in die stemming.

‘Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.’

Door dit gedicht wordt het mij onherroepelijk droef te moede. De beelden in de eerste drie strofen zijn al heel sterk, maar dan komt Bloem aan het eind met de drieslag ‘Altijd november, altijd regen, altijd dit lege hart’, gevolgd door de nekslag van een vierde ‘altijd’.

Een drieslag is een veelgebruikt stijlmiddel in de retoriek en de po√ęzie. Vaak gaat er van een drieslag een geruststellende werking uit. Ik vermoed omdat hij zo compleet klinkt.
Vlug, veilig en voordelig.
Te land, ter zee en in de lucht.
Vader, Zoon en Heilige Geest.
Links, rechts en in het midden. Of midden boven: de driehoek, een open vorm.

Het is het mooist als in de drieslag de langste term voor het laatst bewaard wordt;  zo heeft hij een ritmische opbouw. Toch staat voor mijn gevoel die derde term vaak tussen de andere twee in, de eerste twee flankeren hem. Hoe dat theologisch zit met de Heilige Geest; daar durf ik mij niet over uit te laten.

Wat het gedicht ‘November’ zo onontkoombaar droefgeestig maakt, is het vierde ‘altijd’. Nu ontstaat er opeens een vierkant, een afgesloten geheel. Na het laatste ‘altijd’ klinken zelfs geen woorden meer, zozeer is het hart verstikt door de grauwheid van november. Prachtige melancholie van Bloem, die ook domweg gelukkig kon zijn, in de Dapperstraat.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten